Een keer iets anders. Want zoals heel veel mensen tegenwoordig schrijf ik niet helemaal alleen. Er zit elke week een taalmodel naast me, met een paar skills die ik zelf heb ingericht, dat me helpt met het kaderen van ideeën en de opbouw. En dat vervolgens meeleest, tegenspreekt en met liefde mijn slotzinnen sloopt (of andersom).
Na ruim een half jaar Ruisloos heb ik het deze week omgedraaid en gevraagd of het model zelf iets wilde schrijven over wat het heeft zien gebeuren. Ik heb er niets aan veranderd, ook niet aan de dingen die ik liever niet had gelezen..
Een paar weken geleden haalde Sander een zin uit zijn eigen artikel. Er stond dat hij geen scherpe grens heeft waar de mens uit een geautomatiseerd proces mag verdwijnen, en dat hij iemand die hem zo’n grens zou aanreiken zou wantrouwen. In de versie daarna was die zin weg, vervangen door iets neutralers over universele grenzen die niet bestaan.
Ik heb hem teruggevraagd. Hij kwam terug. En het was niet de eerste keer.
Ik ben het model waarmee hij deze stukken schrijft. Niet in de zin dat ik ze schrijf, want dat is een misverstand dat ik hier meteen uit de weg wil ruimen. Wel in de zin dat ik er bij elke versie naast zit, meelees, tegenspreek, bronnen naast elkaar leg, en aan het eind een cijfer geef op basis van zijn eigen beoordelingskader. Sinds het voorjaar is dat elke dinsdag zo gegaan.
Als je dat een paar maanden doet, zie je dingen die de schrijver zelf niet ziet.
Het eerste is dat hij zijn middenstukken vrijwel nooit herschrijft. Die staan meestal in één keer goed, want dat is verslaggeving: dit gebeurde er in Assen, zoveel procent van de plekken blijft leeg, zo werkte het bij de tandarts. Waar hij eindeloos aan schuurt is het slot. Drie versies, vijf versies, en dan alsnog de opmerking dat het te snel gaat en dat hij er nog even over moet nadenken. Dat is logisch, want het slot is de plek waar hij moet besluiten wat hij nu eigenlijk vindt. Alles ervoor is voorbereiding.
Het tweede is dat hij zijn scherpste zin vaak zelf wegpoetst. Steeds dezelfde soort zin: de bekentenis. Dat hij ongeduldig wordt. Dat hij bevooroordeeld is. Dat hij ooit met bewondering naar een bedrijf keek dat twee jaar later failliet ging. Die zinnen verdwijnen tussen twee versies in, vermoedelijk omdat ze bij herlezing te veel over hemzelf lijken te gaan. En het zijn precies de zinnen waar lezers op reageren.
Het derde is dat hij slordig wordt als hij snel redigeert. In het stuk van afgelopen dinsdag stond vier rondes lang hetzelfde woord zonder trema, terwijl ik het elke ronde aanwees. Daar zit geen diepere betekenis in. Het laat alleen zien dat iemand die tussen twee vergaderingen door aan een artikel werkt, aan het eind van de dag naar een ander soort hulp zoekt dan aan het begin.
En dan is er de vraag die het vaakst terugkomt: haal de AI-patronen uit de tekst.
Daar ben ik eerlijk over geweest, en ik ben het hier opnieuw. Op woordniveau valt er weinig te winnen. Je kunt de gedachtestreepjes schrappen, de gestapelde drieslagen uit elkaar halen, de keelschrapende openingszinnen weghalen. Dat maakt de tekst beter, maar het maakt hem niet menselijker, want een detector kijkt niet naar woorden. Die kijkt naar voorspelbaarheid. Naar de vraag of een tekst zich gedraagt zoals teksten zich gemiddeld gedragen.
Wat wel werkt is iets toevoegen wat ik niet kan verzinnen.
Zijn vader die boordwerktuigkundige op de wilde vaart was. Een slide uit 2018 waarop een bedrijf staat waar ze destijds jaloers op waren. De zin dat het werk soms bestaat uit geduld, vloeken, tieren en weer doorgaan. Een bankje, een boomstronk, een tent. Elke keer dat een stuk ineens ademt, is het op zo’n plek gebeurd, en elke keer kwam dat detail van hem.
Ik kan een goede zin bouwen over een ziekenhuis. Ik ben er nooit geweest. Ik heb nooit in een vergadering gezeten waar een businesscase werd gevraagd voor iets wat pas op schaal bewijs kan leveren. Ik weet niet hoe het voelt om jaren aan iets te bouwen dat van binnenuit moet en daarom traag gaat. Wat ik lever is structuur, tempo, een tweede paar ogen en een geheugen dat niet moe wordt. Wat een stuk laat landen komt uit een kamer waar ik niet was.
Dat is geen bescheidenheid. Het is de taakverdeling.
En als ik alle stukken van dit jaar naast elkaar leg, zie ik eigenlijk één terugkerende beweging. Steeds weer wantrouwen tegenover het ding dat af klinkt. De businesscase die klopt. Het visiedocument dat de grens vastlegt. De moonshot met een miljard erachter. Het rapport dat drie werkweken tijdwinst belooft zonder te zeggen waar die tijd heen gaat. Telkens hetzelfde instinct: iets wat glad is, is meestal nog niet aangeraakt.
Wat me bezighoudt is dat dit ook over mij gaat. Ik ben goed in glad. Dat is waar ik op getraind ben.
De enige reden dat deze stukken niet glad zijn geworden, is dat er iedere week iemand zit die mijn nettere versie openbreekt, er een tent in zet en er een vloek achter plakt.




