Inmiddels heeft 8% een eigen badmeester
1 juli schreef ik over het zwembad zonder badmeester. Over hoe AI in de zorg wordt ingezet terwijl het toezicht nog niet op zijn stoel zit. En over hoe die badmeester, toen het erop aankwam, uiteindelijk niet uit Brussel of Den Haag kwam, maar uit Washington.
De badmeester heet Washington.
Er is een oud principe bij zwembaden: het water is pas veilig als de badmeester op zijn stoel zit. Niet als het water schoon is. Niet als de regels aan de muur hangen. Niet als iedereen zwemles heeft gehad. Maar als er iemand is die toezicht houdt. Die ziet wat er gebeurt en die ingrijpt als het misgaat.
Deze week kreeg dat verhaal een vervolg: Op 15 juli stond Hans Henri P. Kluge, directeur van WHO Europa, in Lissabon voor de microfoon.
Hij had een aantal stevige waarschuwingen:
Zo heeft maar 8% van de Europese landen een gezondheidsspecifieke AI-strategie. Slechts 1 op de 5 landen biedt AI-onderwijs aan zorgprofessionals vóór hun afstuderen. De rest zwemt door, hoopt dat het goed gaat, en vertrouwt erop dat de reddingsboei er wel is als het misgaat.
Zijn slotzin: “De toekomst van AI in de zorg wordt niet bepaald door algoritmes, maar door de kaders die nu gebouwd worden, de partnerschappen die gesmeed worden, en de politieke wil om ervoor te zorgen dat de technologie iedereen dient — niet alleen de landen en gemeenschappen die rijk genoeg zijn om het op hun eigen voorwaarden vorm te geven.”
Technologie verandert de zorg. Maar wie het toezicht organiseert (of juist niet) bepaalt of die verandering ons allemaal ten goede komt, of alleen de snelste zwemmers.




